Door deze versies van zwarte portretten kijk je anders naar de kunstgeschiedenis
Tijdens de lockdowns van de coronapandemie verveelden veel mensen zich zo dat ze even stilstonden bij de kunstgeschiedenis en massaal meededen aan de Getty Museum Challenge. Het idee: kies je favoriete schilderij, vind 3 dingen die in je huis rondslingeren, maak je eigen versie van het schilderij. Dat leverde een bonte online verzameling huis-tuin-en-keuken-interpretaties van bekende schilderijen op. De Nachtwacht als een opstelling van keukenkruiden, Frida Kahlo in een waaier van mondkapjes, aardappels schreeuwend als een Munch, meer en minder abstracte werken van Lego en een veelvoud aan hoofddeksels, pruiken en kragen van wc-papier. De variatie leek eindeloos.
Omdat al zijn werk gecanceld was, zat de Britse operazanger Peter Braithwaite in die periode ook thuis. Zijn zolder lag vol met de trofeeën van zijn verzamelwoede en hij had wel weer eens zin in een verkleedpartijtje dus de challenge leek hem een uitermate geschikte vorm van afleiding. Maar ondanks de bovengenoemde variatie miste hij iets tussen de duizenden inzendingen. Net als in operazalen, waar hij vaak de enige van kleur was, zag hij opvallend weinig zwarte gezichten op de gehashtagde afbeeldingen. De melkmeisjes waren veruit in de meerderheid. Zelf koos hij daarom voor een portret van een anonieme zwarte bediende die in een hoek bij een raam met zijn ene hand een glas rode wijn omhoog houdt en met zijn andere een metalen bord vast heeft terwijl een schoothondje naar hem opkijkt. Brathwaite trok een soortgelijk kostuum aan, goot een glas vol vruchtensap en plaatste een knuffelschaapje naast het deksel van een West-Indische kookpot. Het was als iets eenmaligs bedoeld maar mondde uit in een complete serie. Eerst online als een soort sub-hashtag van de challenge, onder #rediscoveringblackportraiture later als fysieke tentoonstelling en, eerder dit jaar, een boek: Rediscovering Black Portraiture.

Brathwaite begon zich voor dit uit de hand gelopen project steeds grondiger in het onderwerp te verdiepen. Informatie bleek vaak schaars maar hij ploegde via onder andere niche blogs en Pinterest door eeuwen van portretkunst om de zwarte modellen opnieuw in beeld te brengen. In zijn versie van een laat-Middeleeuws portret van de koningin van Sheba draagt Brathwaite een groene jurk van crêpepapier, citroenen en kleurige sierlichtjes, zijn kroontje is van goud karton. Hij staart met een witte doek om zijn hoofd ietwat verslagen naar een glimmende pan, zoals de keukenmeid in het vroegst bekende werk van de Spaanse meester Velásquez dat doet. In de hoed van Dom Miguel de Castro, de afgezant uit Kongo die in 1643 in Middelburg geportretteerd werd, steken twee crackers. In plaats van een zwaardriem heeft Brathwaite een stropdas van Vivienne Westwood om zijn borst, het wapen zelf is vervangen door een opscheplepel.

Voordat Brathwaite met zijn steeds diepgravender onderzoek naar zwarte modellen in de kunstgeschiedenis begon, probeerde hij al meer informatie aan zijn eigen stamboom te hangen. Hij had een paar namen, wat verhalen en een handjevol objecten maar het visualiseren van zijn familiegeschiedenis bleek lastig. Er was alleen beeld van de witte pachters van de plantages op Barbados aan wie hij zijn achternaam dankt. Zijn zwarte voorouders bleven onzichtbaar. Zo spiegelen beide projecten elkaar. In de zoektocht naar zichtbare verwanten in het verleden van Barbados beschikt Brathwaite over informatie maar mist er beeld, in zijn challenge draait het om het beeldmateriaal maar ontbreekt er vaak een verhaal bij de zwarte personages. Ze zijn zichtbaar maar hebben geen naam, laat staan een biografie. Maar met de persoonlijke objecten waar de Getty Museum Challenge om vroeg, kon hij die twee verhalen én hun hiaten aan elkaar verbinden, merkte Brathwaite terwijl hij thuis om zich heen greep. Een aantal aan zijn familie gerelateerde objecten duikt dan ook in veel van zijn nagebootste scenes op. Zo is de lapjesdeken van zijn grootmoeder geregeld onderdeel van het decor, dan weer als jurk, dan als gordijn.


Nog vaker gebruikt Peter Brathwaite zijn cou cou stick, een door zijn grootvader uit hout gesneden roerstok. Het hout fungeert in verschillende taferelen onder andere als drumstok, zwaard of scepter. In Barbados wordt de stick gebruikt om maismeel, okra en water tot cou cou, het nationale gerecht van het eiland, te mengen. De Afrikanen die naar Barbados verscheept werden, aten vaak al cou cou voor ze tot slavernij gedwongen werden. Brathwaite plaatste het daarom bijvoorbeeld bewust in zijn versie van The Paston Treasure, een schilderij dat de welvaart van de familie Paston moest etaleren. Aan de rand van een tafel die vol ligt met objecten die moeten getuigen van een kosmopolitisch bestaan, zit een zwarte jongen. Hij zit nogal verdekt in de hoek, een aapje op zijn schouder. Brathwaite schuift hem in zijn eigen versie de cou cou stick toe en probeert zich voor te stellen hoe de jongen de vrijheden van vóór de slavernij weer proeft.

Voor Manets Olympia zoomt Brathwaite in op Laure, de zwarte vrouw die de naakte spierwitte vrouw op de voorgrond bloemen brengt. Er is haar allerlei symboliek toegedicht maar Brathwaite zelf ziet in haar en de kleding die ze draagt de opkomst van een vrije zwarte arbeidersklasse. Hij prijst Manet voor het lef om niet alleen een witte prostituee te portretteren maar ook een ander aspect van de veranderende Franse steden in beeld te brengen. Ondanks alles wat er is geschreven over de betekenis die ze zou hebben, is er behalve haar naam maar weinig over Laure bekend. Brathwaite kwam in zijn eigen stamboomonderzoek aanvankelijk soortgelijke hiaten tegen maar verpakt zijn eigen bloemen in een boeket van historische documenten die hij inmiddels over zijn eigen voorouders wist te verzamelen.

Zo weeft hij de thema’s als zichtbaarheid en onzichtbaarheid, vrijheid en onderdrukking door veel van de portretten die er in eerste instantie zo grappig uitzien naast het origineel. Neem zijn versie van een portret van Toussaint Louverture, die tijdens de Franse Revolutie vocht voor een onafhankelijk Haïti. Louverture helpt Brathwaite eraan herinneren dat tot-slaaf-gemaakten geen makke slachtoffers waren. Maar: als hij de succesvolle zwarte generaal imiteert, heeft hij zelf de manumissiepapieren van zijn overoveroverovergrootvader in zijn hand. Deze Addo Brathwaite was in Afrika geboren maar werkte tot zijn 73e in slavernij voor een familie op Barbados. Hij was hun ‘favoriete huisslaaf’. Net als Haïti kende ook Barbados een opstand, zij het minder succesvol. Niet lang na die revolte verkreeg Addo Brathwaite zijn vrijheid, als dank voor ‘goed gedrag’. Peter Brathwaite vraagt zich af of hij zijn eigenaren beschermde tegen zijn eigen lotgenoten. In het originele portret leunt Louverture op een zwaard, Brathwaite heeft zelf een stofzuiger vast.

Er is niet overal zo’n sterke persoonlijke link tussen origineel en remake. Maar als je eenmaal weet waar het Brathwaite om te doen is, worden zijn tweeluiken veel meer dan onconventionele zoekplaatjes. Dan is het opeens niet alleen meer grappig gevonden dat hij in Portrait of a Haitian Woman (1786) de ananas in haar bord met fruit vervangt door een conserveblik voor de ringen van die vrucht. Het tropische fruit van de Caraïben is inmiddels industrieel ingeblikt, suggereert Brathwaite’s versie. Het lag voor het oprapen. Zoals een half ontblote borst de seksuele beschikbaarheid van het Haïtiaanse model, Marie-Thérèse Zémire, symboliseert. In de remake is Brathwaite’s borsthaar zichtbaar maar zijn tepels houdt hij bedekt.

Zo rolt Brathwaite middels tientallen nagebootste scènes door meer dan vijf eeuwen kunstgeschiedenis. Zijn portretten brengt hij in Rediscovering Black Portraiture onder in drie categorieën, Acts, in de woorden van de performer. In de eerste act zijn de zwarte personen die zijn afgebeeld vaak niet veel meer dan kartonnen figuranten. In de tweede kan Brathwaite al meer ruimte creëren voor zijn karakters, ze daadkracht toebedelen. De derde act bevat zijn interpretaties van werken van zwarte kunstenaars die zelf ook al reflecteerden op de positie van het zwarte model.
Tussendoor zijn er teksten opgenomen. Twee essays, van kunsthistorici Temi Odumosu en Cheryl Finley, en het verslag van een lekker intellectueel gesprek tussen curator slash cultuurhistoricus Mark Sealy en de auteur zelf. Die teksten bieden wat context bij al het beeldmateriaal en extra stof tot nadenken. Maar het zijn de afbeeldingen zelf die het meeste werk doen. Al die staaltjes huisvlijt dwingen je bijna automatisch om beter te kijken naar hoe mensen van kleur in de loop der geschiedenis werden afgebeeld. Representatie in de kunstgeschiedenis is een beladen onderwerp waarvan het belang voor de witte museumbezoeker in eerste instantie misschien niet direct duidelijk is. Peter Brathwaite is er in dit serieus grappige boek in geslaagd om op luchtige wijze te laten zien waar het voor hem pijn doet en waarom.
Haal het in huis, voor geamuseerd bladeren en serieuze gesprekken aan de koffietafel.